De rolstoelman

Station Amsterdam Bijlmer Arena. Hier moet ik overstappen. Ik stap uit de trein en zie dat de trein richting Utrecht er nog niet is. Ik neem plaats op een bankje naast een jongen met een allochtoon uiterlijk. Suriname of de Antillen, één van die twee denk ik. Hij ziet er verzorgd uit.

In de verte komt een jonge man in een rolstoel aanrijden. Hij stopt bij ons bankje en vraagt de allochtoon of hij zijn OV-chipkaart ook in de bus kan gebruiken. De rolstoelman en de allochtoon raken aan de praat. Met een schuin oor luister ik mee. De allochtoon vertelt dat hij fashion management studeert. Wat hij ermee wilt gaan doen weet hij nog niet.

De rolstoelman vertelt dat hij veel met de trein reist. Bijna dagelijks van Groningen naar Amsterdam. Hij vertelt dat het hem opvalt hoe vaak hij vertraging heeft doordat mensen voor de trein zijn gesprongen. Hij begrijpt dat niet. De allochtoon en ik kijken elkaar aan en ik zie dat ook hij van binnen moet lachen. Zou de rolstoelman daar zelf nooit over hebben gedacht, met zijn lichamelijke beperking? Waarom stapt iemand zonder lichamelijke beperking uit het leven en waarom verbaast iemand in een rolstoel, die daar meer reden voor heeft, zich daarover? Wat kan het leven toch verwarrend zijn.

Ik besluit het het hem niet te vragen en het gesprek op een andere onderwerp te gooien. Ik vraag de rolstoelman waarom hij bijna dagelijks zoveel in de trein zit. Hij vertelt dat hij bij grote bedrijven managers met een lichamelijk handicap begeleidt. Daarover gaat straks ook zijn spreekbeurt bij een groot IT bedrijf. “Preach what you practice” voegt de rolstoelman zelf toe. Wat moeten alle drie lachen.

Dan komt de trein naar Utrecht aanrijden. Ik ben nieuwsgierig hoe de rolstoelman de trein in komt en blijf iets langer op het bankje zitten. De rolstoelman en de allochtoon snellen naar de deur. Als iedereen is uitgestapt, stapt de rolstoelman uit de rolstoel, grijpt zich vast aan de trein en slingert zichzelf naar binnen. Dan pakt hij de rolstoel beet en wilt hij ook die naar binnen trekken. De allochtoon wilt helpen maar dat maakt de situatie alleen maar onhandiger.

Als laatste stap ik in de trein. Ik knik nog even gedag naar de rolstoelman die bij de deur weer plaats heeft genomen in zijn rolstoel. Hij knikt terug. Bij het weglopen hoor ik dat hij alweer aan het volgende gesprek is begonnen.

De ov-chipkaart is zó jaren ’90

Ik ben tegen de OV chipkaart. Ik heb dan ook geen OV chipkkaart. En ik wil ook geen OV chipkaart. Ik wil mijn OV reis betalen op het moment dat ik met het OV reis. Gewoon ‘boter bij de vis’. Net als appels. Of een trui.

Op die stomme OV chipkaart moet ik minimaal 20€ zetten om een kort ritje met de trein te maken. Geld dat ik NS betaal, waar ik niet direct iets voor terug krijg. Dat wil ik dus niet.

Waarom maken onze OV bedrijven eigenlijk gebruik van zo’n ouderwetse techniek? Een chipkaart waarop ik krediet kan zetten? Weer een pasje erbij. Weer een pasje bij de oude spaarkaarten die in de jaren ‘90 zoveel werden uitgedeeld. Ik begrijp dat echt niet.

Dat in een tijd waarin ik met mijn mobiele telefoon overal ter wereld kan inchecken op foursquare. Waarom dan niet op stations? Ik check in, geef aan waar ik naar toe wil en reken meteen bij het inchecken het gepaste bedrag af. Veilig, makkelijk en handig. Ik tevreden, OV bedrijven tevreden, wat willen we nog meer?